Ds. Jaap van der Stoel (1914 – 2006) was een van de 37 vrijgemaakte predikanten die tussen 1948 en 1970 terug gingen naar de ‘synodale’ kerken. Dit artikel schetst de levensloop van deze markante voorganger, zijn gang door de kerken van de Vrijmaking en zijn strijd voor een vrije kerk: een kerk die alleen onderworpen is aan Jezus Christus en Zijn Woord.
Op een zomeravond in 1961 zeiden mijn oom en tante bij wie ik logeerde, tegen mij: ‘We moeten je iets ergs vertellen. Oom Huib is synodaal geworden.’ Huib den Boeft, vrijgemaakt predikant in Schouwerzijl, was hun zwager en mijn oom. Ik voel nog de huiver die mij, zestien jaar en via catechisatie gepokt en gemazeld in de Vrijmaking, beving bij die mededeling. Synodaal worden… iets ergers kon je als vrijgemaakt predikant bijna niet doen.
Maar het gebeurde wèl. Predikanten die zich met overtuiging hadden vrijgemaakt, maar na verloop van tijd vastliepen op de als beknellend ervaren meerderheidsopinie in de kerken. Zij zagen geen andere uitweg dan teruggaan naar de synodaal gereformeerde kerken.[1] In de kerkelijke pers werd korte metten met hen gemaakt: ze ‘verloochenden de Vrijmaking’ en keerden terug ‘naar het diensthuis van Egypte.’ Zelden kregen ze de kans te vertellen waarom ze die stap zetten. Het is goed dat Erik de Boer in 2016 hun namen – 37 in getal – publiek heeft gemaakt.[2] Maar hun verhalen zijn rond de eenwording van GKv en NGK onderbelicht gebleven.
Ik vertel hieronder het verhaal van een van hen: ds. Jaap van der Stoel (1914-2006). Hij, een geharnaste vrijgemaakte-van-het-eerste-uur, keerde in 1968 terug naar de synodaal gereformeerde kerken. Anders dan veel van zijn collega’s die synodaal werden, genoot hij landelijke bekendheid in de vrijgemaakte kerken en heeft hij door zijn publieke uitingen een spoor getrokken dat anno 2024 nog terug gevolgd kan worden.
Vrije kerk
Jacobus Pieter van der Stoel, op 6 juli 1914 geboren in een boerengezin in Leiderdorp, wordt tijdens zijn studie aan de Theologische Hogeschool in Kampen een bewonderaar van prof. dr. K. Schilder. Hij trouwt in 1942 met zijn jeugdvriendin Gerrie Roest en samen betrekken ze in dat jaar de gereformeerde pastorie in het Groningse Overschild. In 1944 maakt hij zich vrij, samen met 80% van zijn gemeente in het Groningse Overschild. Regionaal en landelijk geeft hij voorlichting over de Vrijmaking. Hij bestrijdt de synodale leerbesluiten over verbond en doop en samen met zijn studievriend Rolf Bremmer benadrukt hij het beginsel van de vrije kerk, dat door de synode met voeten is getreden: het gereformeerde kerkrecht kent ‘slechts een verhouding van vrije, in rang en recht gelijkstaande kerken van Jezus Christus.’ De enige heerschappij in de kerk is die ‘van de verhoogde Christus en het Woord zijner genade’. Volgens hen is dat ‘beginsel van de vrije kerk’ met voeten getreden, toen in 1942 e.v.j. de synode een reeks leerbesluiten ‘door een autoritaire machtsdaad’ aan de kerken oplegde. [3] Samen met Bremmer en Pieter Jongeling begint hij in 1945 het weekblad De Vrije Kerk, voorloper van het Gereformeerd Gezinsblad/Nederlands Dagblad. In zijn bijdragen daarin verdedigt hij de noodzaak van de Vrijmaking, zowel confessioneel als kerkrechtelijk, met gloed en verve.
Van der Stoel wordt in 1946 predikant in het vrijgemaakte bolwerk Groningen en werkt tussen 1947 en 1950 in Indië, eerste namens de classis Groningen, later als predikant van de vrijgemaakte kerk van Batavia. Hij geeft daar leiding aan de Vrijmaking, sticht op Java vrijgemaakte kerken en reist langs vrijgemaakte militairen die hij vermaant om niet naar de oecumenische veldprediker te gaan, maar samen een vrijgemaakte preek te lezen. Op de vraag van de vrijgemaakte kerk van Buitenzorg of ook synodalen en orthodoxe hervormden kunnen worden toegelaten, antwoordt hij: ‘Alleen als ze zich vrijmaken uit hun zondige hervormde en synodalistische kerkverband’ en zich voegen bij ‘de kerk die naar de belijdenis de kenmerken van de ware kerk (art. 27-29 NGB) vertoont’.[4]
Na zijn tijd in Indië wordt Van der Stoel in 1950 predikant in Grootegast in combinatie met Gerkesklooster-Stroobos. In toespraken bepleit hij krachtig de ‘doorgaande reformatie’: het doortrekken van de Vrijmaking op alle levensterreinen. Hij verkiest principieel het vrijgemaakte GPV boven de kerkelijk gemengde ARP en houdt een vurig pleidooi voor vrijgemaakte scholen, waarin het onderwijs zich moet ‘binden aan de belijdenis die door de ware kerk beleden en gehandhaafd wordt’. Dat heeft volgens hem consequenties voor het personeelsbeleid: ‘We kunnen niet dulden dat enige onderwijzer van de schoolvereniging de vrijheid heeft om de zeer gevaarlijke leerbesluiten van 1942 e.v.j. tot uitgangspunt van zijn onderwijs te maken’. [5]
Van der Stoel schuwt stevige taal niet. Hij vindt dat de broederliefde tegen een stootje moet kunnen. Iemand mag jou een ‘extremist’ of ‘niet goed vrijgemaakt’ noemen, mits hij maar bereid is dat uit het Woord te bewijzen. Dat verbreekt de broederliefde niet.[6]
Ome Jaap
In 1952 wordt Van der Stoel predikant in Amsterdam-Centrum. Hij is daar voor de kerkjeugd een bindende factor, zo blijkt wanneer zestig 55-plussers terugkijken op hun jeugd in die gemeente.[7] In hun herinneringen komt hij terug als een ‘fascinerende’ predikant, een geschenk in onze jeugd’, iemand die ‘de taal van de jeugd sprak en verstond’.. In een tijd dat in de meeste kerken de afstand tussen de herder en zijn schapen nog groot was, viel hij op door het ontbreken daarvan. ‘Dominees preekten, studeerden, vermaanden. Ze reden niet op een Harley Davidson, vertelden geen spookverhalen en al helemaal geen moppen. Werden geen pannenkoekkoning. Haalden het niet in hun hoofd zich naar jeugd zo open en kwetsbaar op te stellen’.[8] Van der Stoel – ‘een combinatie van predikant en gewoon mens’ – deed dat allemaal wel en groeide voor veel jongeren uit tot ‘ome Jaap’. Velen noemen zijn pastorale betekenis op crisismomenten in hun leven en zijn ‘onvergetelijke preken’, zoals die over Romeinen 8:18 na het overlijden van zijn achtjarige dochter Gerrie. Een van hen vertelt: ‘Grote indruk maakte het op mij dat hij stond te trillen op de preekstoel … en woord voor woord meende wat hij zei. Hij preekte niet voor een gemeente die wilde horen wat zij allang kende, maar hij sprak vooral tegen zichzelf. Hij beleefde wat hij zei en vertelde dat aan anderen. Hij beleefde zijn geloof werkelijk’.[9]
Uit veel van die preken blijkt diepe zorg over de afval in andere kerk en dankbaarheid voor de ‘blijken van het nieuwe begin dat God met Zijn volk heeft gemaakt’ in de kerkreformaties van 1517, 1834, 1886 en 1944. Als hij het heeft over ‘valse kerkvergaderingen’ met ‘dodelijk gevaarlijke’ en ‘geraffineerde leersystemen’ en ‘verderfelijke ketterijen’[10] volgen steevast roomse, hervormde en synodale voorbeelden. Maar in latere jaren verschuiven de accenten. De blik gaat (ook) naar binnen: ‘Zijn de vrijgemaakt gereformeerde kerken vrij van de dienstbaarheid? Ik zeg ja, maar met vreze en beven.’ Er zijn dan wel geen officiële kerkelijke uitspraken die de kerken een nieuw juk opleggen, er is wel ‘het dreigende gevaar dat nu een Schilderiaanse theologische traditie […] tot toetssteen van rechtzinnigheid wordt. Als dat gebeurt wordt de kerken een juk opgelegd dat Schilder zelf zou hebben vervloekt.’ Van der Stoel herinnert aan de Vrijmaking: ‘Toen … hebben we gezegd dat te doen, omdat we niemand uit de Kerk van Christus wilden uitsluiten, die door Christus zelf niet werd uitgesloten. Zullen we dat nu waar blijven maken, ook ten aanzien van het lidmaatschap van onze gereformeerde organisaties?’ Hij waarschuwt in ‘de kerkelijke misère van vandaag’: ‘Als bij de beoordeling van elkaar maar niet de maatstaf van het onfeilbare Woord Gods wordt uitgeruild voor die van onze gedachtenconstructie’ en ‘theorieën over de kerk’.[11]
Wat verklaart de kritischer opstelling van Van der Stoel? Is híj veranderd of zijn de kerken veranderd en daarmee zijn plek in de kerken? Is hij milder geworden? Heeft hij ervaren dat gereformeerd zijn en blijven in de grote stad om andere keuzes vraagt? Of zijn de kerken in meerderheid zo geradicaliseerd en opgeschoven dat hij vanzelf van rechtsbinnen linksbuiten is geworden? Hoe dan ook, hij ziet zich genoodzaakt nu ook naar binnen te waarschuwen.
Heroriëntering noodzakelijk
In 1959 publiceert Van der Stoel samen met zijn vriend Bremmer de brochure Heroriëntering noodzakelijk.[12] Daarin spreken ze hun bezorgdheid uit over vrijgemaakte kerkleiders als J. Kamphuis en H.J. Schilder die in discussies (over deelname van vrouwen aan ambtsdragerverkiezingen, gemengde jeugdverenigingen, en wel of geen exclusief vrijgemaakte organisaties) met machtswoorden – ‘revolutie’, ‘afwijking van de belijdenis’ – krampachtig ingenomen posities handhaven.
Ze bepleiten een open discussie die ‘niet anderen bij voorbaat in de verdachtenbank’ zet, maar waarin ‘we eerst elkaars meningen grondig peilen voor we een tragedie veroorzaken.’ Daarbij doelen ze op het in het GPV opgevlamde debat over het ‘ethisch conflict’ dat de partij dreigt te splijten. Alleen wie breekt met de zonden van de synodale kerk en zich vrijmaakt, kan lid worden, vinden sommigen, terwijl anderen iedereen die serieus de grondslag van Schrift en belijdenis aanvaardt en in praktijk brengt, welkom willen heten, zonder dat ze zich per se moeten vrijmaken. ‘Er is meer dan één weg die tot kerkreformatie leidt.’ Bremmer en Van der Stoel pleiten voor langer doorpraten over elkaars diepere motieven en tegen het ‘forceren van onrijpe beslissingen.’
Tegenover deze ‘machts- en partijvorming’ bepleiten ze om trouw te blijven aan ‘het adagium’ van de Vrijmaking, ‘dat we – naar het woord van K. Schilder – samen in één kerk wilden blijven met allen met wie we ook voor 1944 de gemeenschap van Woord en Sacramenten onderhielden. Dat brengt mee het eerbiedigen van de pluriformiteit binnen het ene kerkhuis. […] Onze pretentie was altijd dat wij van onze kant niemand wensten te schorsen en af te zetten. […] Nu zullen we onze woorden waar moeten maken dat het ons te doen was om een vrije kerk: een kerk waarin alleen gebonden wordt aan de Schrift en de Belijdenis en niet aan opvattingen daarover.’ Als die ‘vrije christelijke discussie’ onmogelijk is, laden we ‘het odium van sectarisme’ op ons. Door gemeenschappelijk te bouwen op Jezus Christus als het ene fundament wordt de kerk bewaard ‘voor het kwaad van de eenvormigheid die de ware eenheid in de weg staat.’ Volgens hen is dat de remedie, nu groeps- en partijvorming ‘de kerk dreigen te verscheuren’ en is dat ook de enig juiste houding tegenover ‘de gebonden kerken’. ‘We hebben allereerst tegenover die kerken waar te maken dat er bij ons een eerlijke en gelijkberechtigde plaats is voor ieder die ook voor 1944 een wettige plaats in de Gereformeerde kerken had’.
Olie op het vuur
Van der Stoel en Bremmer willen met hun brochure olie op de golven gooien, maar die werkt als olie op het vuur. In de vrijgemaakte pers worden hun analyse en oplossingsrichting scherp bekritiseerd. Ds. Joh. Francke uit Hoogeveen zet daarbij de toon, als hij de brochure als ‘oppervlakkig en verwerpelijk, wijl onschriftuurlijk’ bestempelt. Hij wil het GPV gesloten houden, want ‘ook aan de zonen van hen die in 1944 schorsten en afzetten en nu toegang vragen […] worden door God deze ‘onbeleden kerkzonden aangerekend’. Een ‘vrije en open discussie’ kan alleen, als we ‘voortgaan in het spoor van wat in en na de Vrijmaking is verkregen aan scholen en organisaties’.[13]
De waarschuwing van de brochureschrijvers voor een ‘tragedie’ in het GPV is vergeefs. Het bestuur van het GPV splijt en de onrust kost lijsttrekker Bert Laning (boezemvriend van Jaap van der Stoel) bij de Kamerverkiezingen in voorjaar 1959 de eerste GPV-zetel. Het scheelt zestien stemmen. In de vrijgemaakte Mannenbond is de boosheid over de brochure Heroriëntering noodzakelijk zo groot dat het Bremmer het voorzitterschap kost.
Bremmer en Van der Stoel staan niet alleen met de ontwikkeling die ze doormaken. In de vrijgemaakte kerken is een beweging op gang gekomen die met andere ogen naar de synodale kerken kijkt: minder antithetisch, meer verlangend naar herstel van de breuk. Die beweging begint in Almelo, waar de predikanten Wim Raven (vrijgemaakt) en Okke Jager (synodaal) hun kerkenraden meenemen in hun verlangen naar eenheid. Dat leidt tot een verzoek van synodaal Almelo aan de eigen Synode om een streep te halen door de leer- en tuchtbesluiten die tot de Vrijmaking leidden en ‘terug te keren tot de Drie Formulieren van Enigheid zonder meer, daardoor de slagbomen wegnemend die ons gescheiden houden’.[14] In Baarn gebeurt iets dergelijks en een reeks andere synodale kerken en classes sluit zich daarbij aan.
Hun actie heeft succes. De Synode van Utrecht besluit in september 1959 de Vervangingsformule terzijde te stellen, die in 1946 de eerdere synodebesluiten over verbond en doop had vervangen. Aan de vrijgemaakte kerken wordt gevraagd om contact, gericht op hereniging. Maar de Synode houdt de ‘rechtmatigheid’ van de Vervangingsformule overeind en slaat in de besluitstaart enkele dogmatische piketpaaltjes.[15]
Het synodebesluit wordt in vrijgemaakte kring compleet verschillend uitgelegd. Volgens sommigen hebben de synodale kerken een wissel omgezet nu de synode is teruggekeerd naar binding aan de Drie Formulieren van Enigheid alleen, en moet die uitgestoken hand worden aangenomen. Wat nog onduidelijk is, kan dan opgehelderd worden. Volgens anderen – dominant in de kerkelijke pers – heeft het synodebesluit door de piketpaaltjes in de staart principieel niets veranderd en moeten de kerken niet in de door de synode gelegde ‘valstrik’ trappen om de Vrijmaking te verloochenen.
Hoop op hereniging
Maar de predikanten en kerkleden die er een teken van hoop in zien, kruipen niet in hun schulp. Tussen eind 1959 en medio 1960 beleggen ze een reeks bijeenkomsten,[16] met als doel officiële gesprekken met de synodale kerken, gericht op hereniging. Vijf predikanten vormen de drijvende kracht: Bremmer (Enschede), Van der Stoel (Amsterdam-Centrum), Raven (Almelo), Vogel (Enschede) en Van Ommen (Hattem). Volgens hen zijn de synodale kerken met de terzijdestelling van de Vervangingsformule teruggekeerd naar de confessionele ruimte van vóór 1942 en zijn de vrijgemaakte kerken daarom geroepen tot gesprek. Die bijeenkomsten trekken veel bezoekers, de sfeer is er realistisch, maar hoopvol: Zou het dan toch …?. Ds. M. Vreugdenhil (synodaal): ‘We staan nu weer samen in de ruimte van de belijdenis.’ Ds. W.G. Raven (vrijgemaakt): ‘Vanwege de nog te nemen kerkrechtelijke hobbels is er ‘nog geen rijpheid voor hereniging, wel voor samenspreken en voorsorteren.’
Maar de tegenbeweging is sterk. Andere vrijgemaakte predikanten luiden de alarmklok en de kerkelijke pers is overwegend anti. Op een bijeenkomst in december 1960 in Zwolle wordt gepoogd dat tij te keren. Volgens voorzitter ds. H. Vogel wordt de kwestie van wel of niet samenspreken met de synodale kerken ‘ten onrechte tot een sjibbolet van kerkelijke trouw gemaakt.’ Hij signaleert kerkisme en extremisme. ‘Bepaalde opvattingen worden voor alleen-gereformeerd uitgegeven. Wie ze niet aanvaardt, wordt hier getolereerd, daar verdrukt.’ In de bespreking wordt de situatie in de vrijgemaakte kerken vergeleken met die van vóór 1944: weer wordt de grondslag van de kerk versmald ‘door het tot heerschappij brengen van een bepaalde theologische mening, door het invoeren van een vierde formulier van enigheid, behelzende: geen samenspreking.’ Volgens sommige gespreksdeelnemers verlangt ‘een groot deel van het kerkvolk’ naar samenspreking.[17]
De zeventig deelnemers wijzen acht mensen (onder wie het vijftal Raven, Bremmer, Van Ommen, Vogel en Van der Stoel) aan om zich tot de landelijke vrijgemaakte persorganen en tot de hoogleraren van de Theologische Hogeschool te wenden, met het verzoek ‘tot een broederlijke gedachtewisseling’ met het oog op ‘het saneren van het onderling vertrouwen.’ Dat doel wordt niet bereikt, want de hoogleraren J. Kamphuis en H.J. Schilder reageren fel afwijzend op de uitnodiging ‘van een achttal heren’ (aldus Kamphuis) en het gesprek komt er niet.[18] De spanningen in vrijgemaakte kring nemen toe, kopt de Leeuwarder Courant. ‘De kerken zouden kunnen scheuren over de hereniging’.[19]
Vergelijkbare geluiden als op de bijeenkomsten in 1959 en 1960 komen terug in Van der Stoels toespraak: ‘De winst van de Vrijmaking niet wegwerpen’.[20] ‘Deze winst, dat we door de Vrijmaking weer vrij van verdachtmaking, ongedwongen van mening kunnen verschillen, mits er geen afwijking zij van Schrift en Confessie.’ Hij betreurt de ‘sfeer van wantrouwen’ die na het besluit van de synodale synode van Utrecht is ontstaan en noemt het ‘een bittere zaak om niet meer vertrouwd te worden’ en ‘smartelijk om aangekeken te worden voor iemand die bereid is alsnog de vrijmaking te verloochenen’. Hij zet het scherp neer: ‘We hebben ons in 1944 niet vrijgemaakt om een knus eigen kerkje te kunnen stichten. We hebben ons vrijgemaakt, omdat we begeerden in de ene kerk van Christus allen vergaderd te zien, die met ons Gods Woord, zoals dat beleden wordt in de Drie Formulieren, van harte liefhebben.’ Van der Stoel wijst de opvatting af dat de enige vrijmakingsweg is dat ‘synodaal en christelijke gereformeerden zich bij ons voegen.’ ‘Laat de hele kudde naar buiten gaan,’ citeert hij K. Schilder. ‘We scharen ons dan samen onder de Enige Bisschop van de kerk: Jezus Christus. Dan maken we er ook geen probleem meer van: moeten zij tot ons komen of wij tot hen? Want als we samen tot Christus gekomen zijn, dan zijn we ook tot elkaar gekomen.’
Eenzame strijd
In mei 1961 buigt de vrijgemaakte Synode van Assen[21] zich over het verzoek van de synodale Synode om twee afgevaardigden te ontvangen voor een toelichting op hun besluiten. De vergadering wordt met veel spanning tegemoet gezien. Nu moet blijken, of de suggestie dat ‘een groot deel van het kerkvolk’ voor samenspreking is, klopt. Op de synodetafel liggen maar liefst 180 brieven van vrijgemaakte kerkleden, kerkenraden, classes en particuliere synodes voor of tegen het gehoor geven aan dat verzoek.
Maar al snel wordt duidelijk dat Van der Stoel, afgevaardigd door de kerken in Noord-Holland, een eenzame strijd strijdt. Het lijvige rapport van de voorbereidende synodecommissie is klip en klaar: van een gesprek kan geen sprake zijn. De synodale Synode is immers blijkens de staart van zijn besluit niet teruggekeerd tot ‘de Drie Formulieren van Enigheid alleen’, er wordt geen berouw getoond en schuld beleden, de tuchtmaatregelen uit 1944 zijn niet ongedaan gemaakt en ‘de waarheid van Christus’ werk in de verlossing en uitleiding van de thans vrijgemaakte kerken’ wordt niet erkend. De nieuwe synodale kerkorde deugt niet en de kerken ‘geven doorgang aan een moderne oecumenistische geest.’ De oproep tot vrijmaking en wederkeer dient onverzwakt te blijven uitgaan tot elke gelovige in de synodaal gebonden gemeenschap.’ Geen gesprek, maar bekering is nodig. Commissierapporteur ds. J.C. Janse: ‘Uw vergadering is niet geroepen de kerken uit te leveren aan een synode die probeert de vrijmaking ongedaan te maken en de schapen van onze Here Jezus Christus weg te trekken’. Elke vorm van contact moet worden afgewezen, ‘omdat dat het werk des Heren in de vrijmaking a priori in zijn ernst en hoogheid miskent’.
Van der Stoel verzet zich met kracht tegen het commissie-oordeel. Volgens hem heeft de synode van Utrecht met de terzijdestelling van de Vervangingsformule wel degelijk een wissel omgezet en zijn de synodale kerken teruggekeerd naar binding aan de Drie Formulieren van Eenheid zonder extra’s en is daarmee de confessionele eenheid hersteld. Hij vindt de staart van het Utrechtse besluit onduidelijk, maar om dat helder te krijgen is juist gesprek nodig. Contact betekent niet dat de Vrijmaking wordt uitgeleverd. ‘De synodale Synode vraagt van ons geen erkenning dat de Vrijmaking niet Gods werk zou zijn.’ Hij benadrukt dat hij aan dat laatste wil vasthouden, als maar beseft wordt dat de Vrijmaking … ook mensenwerk is.
Maar zijn appèl op de Synode is vergeefs. Veel synodeleden verwerpen zijn standpunt. Met de uitspraak: ‘Er is niets veranderd’, vertolkt ds. E.Th. van den Born de opvatting van veel synodeleden. Ds. M.J.C. Blok noemt de brief van de synodale synode ‘schaamteloos. Men doet zich voor als vredesapostelen, maar onze oproepen tot bekering en wederkeer worden permanent genegeerd’. Ds. I. de Wolff benadrukt: ‘De Vrijmaking is Gods werk, geen familieruzie, geen breuk in de kerk. De kerk is door Gods genade gered. De oproep tot vrijmaking blijft onverminderd uitgaan tot de schapen die in de verkeerde stal zijn.’
Maar Van der Stoel houdt vast aan zijn overtuiging. ‘Ik kan niet anders’, zegt hij. ‘Wat ik voorstel – afgevaardigden van de synodale synode ontvangen en aanhoren – is aanvaardbaar én kan tot zegen zijn voor de vrijgemaakte kerken, omdat ze dan hun goed recht kunnen bepleiten.’ Zo’n gesprek kan ook duidelijk maken wie er gelijk heeft met zijn uitleg van het Utrechtse synodebesluit. De confessionele vrijheid van vóór 1942 is volgens hem hersteld. ‘Wij kunnen het de jongeren in de kerk niet duidelijk maken dat het onmogelijk is om de afgevaardigden te ontvangen.’ Maar zijn pleidooi is tevergeefs. Bijna unaniem – de stemverhouding is 29-2 – wordt Van der Stoels voorstel om de uitgestoken synodale hand aan te nemen verworpen. Tegenover hem staan ook vijf synodeleden die later Nederlands Gereformeerd worden en zelfs één die in 1966 de Open Brief aan de Groningse Tehuisgemeente ondertekent en later synodaal wordt. Van der Stoel komt ziek en teleurgesteld van de Synode thuis.[22]
Reacties
De reacties op de Asser besluiten variëren. In de weken erna gaan de predikanten H.C. Overeem (Hattem) en H. den Boeft (Schouwerzijl) over naar de synodale kerken. Verontrusten beleggen bijeenkomsten, de kerkelijke pers is positief – behalve Contact (fel tegen) en Opbouw (gemengde gevoelens) –, predikanten roepen op tot kalmte. Heb geduld met elkaar, bepleit ds. Raven uit Almelo, en voorkom plaatselijke scheuring.[23] Prof. H.J. Jager adviseert: Niet overgaan naar de synodalen, maar rustig doorwerken daar waar God je heeft geplaatst.[24] Onder de kop ‘Blijdschap op blijdschap’ toont prof. Kamphuis zich in De Reformatie verheugd over de in Assen gebleken eenheid ‘door de band van geloof en liefde’, al was het vanwege twee tegenstemmers ‘een geschonden blijdschap’. Hij ziet tussen ‘Utrecht’ en ‘Assen’ een absolute scheiding liggen, omdat ‘de waarheid van het Woord Gods en de heerschappij van de Zoon in geding is’.[25] De meeste regionale kerkbladen hanteren een vergelijkbare toon.
Opmerkelijk is de scherpe kritiek van de christelijke gereformeerde ds. J.H. Velema in De Wekker op het synodebesluit, dat volgens hem ‘diepe greppels’ heeft gegraven. Hij spreekt van een ‘diep bedroevende motivering’ vol ‘strakheid en hardheid’ en zonder ‘een greintje liefde’ en met een ‘toon van kerkelijke hoogmoed en zelfverzekerdheid’, gespeend van alle ootmoed die in Christus’ kerk verwacht mag worden. Uit het besluit spreekt volgens hem de geest ‘van kerkelijk exclusivisme die bedenkelijk dicht nadert tot afgoderij met de kerk bedrijven.’[26]
Alle adressanten aan de Synode krijgen aan het eind van de zomer 1961 antwoord in de vorm van een lijvige Open Brief[27] waarvan rapporteur ds. J.C. Janse (later NGK-predikant) de voornaamste auteur is. Daarin wordt het synodebesluit in zwaar geladen termen verdedigd: Het is de Here Zelf die een ‘Twistzaak’ (Ps. 35) met de synodale kerken heeft. Deze brief wordt breed verspreid, onder andere via het Gereformeerd Gezinsblad.[28], dat zich in nieuws- en commentaarrubrieken en in de rubriek Persschouw een krachtig verdediger van het Asser synodebesluit toont.
Desillusie
Zijn ervaringen op de Synode van Assen hebben er bij Van der Stoel ingehakt. Maar hij is er de man niet naar om zich voortaan stil te houden. Op 15 september 1962 spreekt hij in Amersfoort voor de Vereniging tot herstel van de kerkelijke eenheid der gereformeerde belijders en neemt daar geen blad voor de mond.
‘Tezamen zijn wij afgeweken’ is, met verwijzing naar Daniël 9, de rode draad van zijn toespraak.[29] Daarbij kijkt hij voor het eerst ook kritisch naar de rol van de vrijgemaakten in 1944, die volgens hem toen te hard hebben geoordeeld over de hartsgesteldheid van de synodale leiders en hun persoonlijke integriteit hebben aangetast. Ook was er rond 1944 volgens hem onvoldoende oog voor wat de synode met zijn leerbesluiten bewoog, voor de geestelijke motieven. ‘De synode heeft daar met ondeugdelijke en onverantwoorde middelen tegen gestreden. Maar wij als vrijgemaakten zijn niet onschuldig aan het ontstaan van de situatie waarop de synode reageerde.
Nog scherper is hij over de vrijgemaakte kerken anno 1962. Hij noemt de schorsingen van de predikanten F. Boonstra (Leens) en J. van der Schaft (Murmerwoude) ‘gruwelijker dan die van 1944.’ Toen waren er ‘geschreven leeruitspraken, nu zijn ongeschreven leerbindingen, met name aan een bepaalde theorie omtrent de kerk’ de schorsingsreden. Hij noemt zichzelf medeschuldig – ‘ik sta hier met schaamrood gelaat’ – aan een situatie waardoor zij slachtoffer konden worden van ‘zeer verwerpelijke tuchtmaatregelen.’ Wat hebben we anderen nog te verwijten, als we niet eerst beginnen te belijden dat we ‘geen haar beter’ zijn? Hij noemt het onmogelijk om, ‘alsof we zelf geen vuile handen hadden’, een eenzijdige ‘oproep tot vrijmaking’ te laten horen. We moeten ‘ieder voor zijn deel, schaamrood worden over eigen schuld.’
Niet eerder kijkt Van der Stoel bij zijn beoordeling van de Vrijmaking zo naar twee kanten. En niet eerder is hij zo scherp in zijn taxatie van de actuele stand van zaken in de vrijgemaakte kerken. ‘Als we ons eigen woord en onze eigen geest verabsoluteren tot het Woord en de Geest van Christus, dan is er aan kerkscheuring geen eind,’ waarschuwt hij in een preek.[30] Zijn visie wordt in de kerkelijke pers fel bestreden. Prof. Kamphuis typeert hem als een van ‘de slopers van ons vrijgemaakte leven’,[31] terwijl ds. Meedendorp (Ureterp) onder verwijzing naar Jezus’ waarschuwing tegen ‘roofzuchtige wolven’ hem tot de ‘valse profeten’ rekent. En net als na de Synode van Assen ervaart hij dat hij op steeds minder kansels welkom is. Zijn desillusie over de ontwikkeling van de vrijgemaakte kerken groeit.
Breuk
Jaap van der Stoel is daarna veel minder landelijk actief en richt zijn energie vooral op de eigen gemeente. Op afstand volgt hij in 1964 de vrijgemaakte Synode van Rotterdam-Delfshaven. Die bekrachtigt de schorsing van de Groningse ds. van der Ziel wegens samenspreking met de synodalen met een krappe meerderheid (14-13), terwijl de schorsing van ds. van der Schaft (Murmerwoude) – die zich keerde tegen het op één lijn stellen van de Vrijmaking met de uittocht uit Egypte en de terugkeer uit Babel – unaniem (!) wordt goedgekeurd. Wat zal er in hem zijn omgegaan toen dat notabene door zijn vriend en medestrijder Bremmer, samen met zijn classis-collega G. Janssen werd voorgesteld?
In 1965 is Van der Stoel langdurig overspannen, maar aan het eind van dat jaar kan hij zijn werk weer oppakken. 1966 en 1967 worden jaren van grote spanningen in de kerkenraad van Amsterdam-Centrum vanwege een diepgaand verschil van mening[32] over de waardering van de Vrijmaking en de houding tegenover de synodale kerken. Net als in 1944 ziet Van der Stoel bovenschriftuurlijke bindingen aan bepaalde leeruitspraken (toen over verbond en doop, nu over de kerk) en onrechtmatige tuchthandelingen met aperte schending van de Kerkorde. En ‘net als in 1944 wordt ons binnen onze kerken het recht ontnomen om ons daarvan vrij te maken.’ Omdat de vrijgemaakte kerken nu ‘in hetzelfde kwaad vervallen’ als in 1944, is er sprake van ‘een ernstige verloochening van de Vrijmaking’ en verspelen ze haar recht van bestaan tegenover de synodale kerken. Hij ziet nog genoeg reden voor verontrusting over de ontwikkelingen daar, maar vindt de ontwikkelingen in de eigen kerken niet minder ernstig.Daarom heeft hij met verwijzing naar Rom. 2:1-3 ‘geen vrijmoedigheid om een oproep tot vrijmaking aan de gelovigen in de synodale kerken te laten uitgaan.’ In het licht hiervan is integrale hereniging met de synodale kerken voor hem ‘een eis des Heren’ en weigering daarvan ‘zonde’.
Hij betrekt de meerderheidsopvatting in de kerken ook op zichzelf. ‘Mijn standpunt wordt in de kerken niet getolereerd’ en ‘volgens velen ‘ben ik niet langer goed vrijgemaakt.’ Hij zegt vierkant achter de opvattingen van de predikanten Van der Ziel en Van der Schaft te staan en dus in feite geen ambtsdrager meer te kunnen zijn in de vrijgemaakte kerken. ‘Daarom acht ik me ook door de kerken geschorst.’ Dat volgens hem ‘de vrijheid die het evangelie geeft, principieel weggenomen’ is in de kerken, lijkt voor hem reden om keer op keer de zaak in de kerkenraad op scherp te stellen: Dit is wat ik vind en dit wil ik ook in mijn ambtelijk werk uitdragen.
Op diverse momenten in deze jaren scheert de Amsterdamse kerkenraad langs de rand van een breuk. Die wordt steeds op het nippertje voorkomen, maar Van der Stoel ziet voor zichzelf geen ruimte meer om inhoudelijke stappen terug te doen. Zijn ondertekening van de Open Brief aan de Groningse Tehuisgemeente (31 oktober 1966) is, zeker als de vrijgemaakte Synode die in april 1967 veroordeelt, de druppel die de toch al volle emmer doet overlopen. In mei 1967 beleggen drie ouderlingen aparte kerkdiensten en scheurt de gemeente.
Een paar maanden later komt het tot een scherpe briefwisseling[33] tussen de kerkenraad van Amsterdam-Centrum en die van Amsterdam-West (later Nederlands Gereformeerd) waarin die laatste maatregelen eist tegen het uitdragen door Van der Stoel van zijn opvattingen. Zijn kerkenraad wijst die weliswaar af, maar het is Van der Stoel duidelijk: ook in de nieuwe kerkengroep die aan het ontstaan is door de breuk in de vrijgemaakte kerken is sprake van een ingrijpend verschil in waardering van de Vrijmaking en van de synodale kerken dat zal uitgroeien tot een conflict. Dat wil hij niet meemaken.
De breuk in de eigen gemeente en de oplopende spanningen met zusterkerken geven hem het laatste zetje om de consequentie te trekken uit wat hij al langer vond: niet weer een nieuwe kerk erbij. Dat ‘acht ik een nieuwe smaad voor de naam van Christus.’ Volgens hem is zijn kerkenraad geroepen ‘aanstonds besprekingen te openen die op korte termijn kunnen leiden tot hereniging met de Gereformeerde Kerken (synodaal)’.[34] Omdat de kerkenraad dit standpunt niet overneemt, voegt hij zich op 5 april 1968 bij de synodale kerk ter plaatse. De dag erna verzoekt hij aan de synodale classis Amsterdam om beroepbaar te worden gesteld. Zijn collega P. Wullfraat volgt hem enkele dagen later, nadat op een gemeentevergadering duidelijk is geworden dat de meerderheid van de gemeente een andere toekomst voor zich ziet da beide predikanten.
Reacties
De reacties uit de kring van zijn geestverwanten liegen er niet om. In een persoonlijke brief toont ds. J.F. van Hulsteijn uit Amsterdam-Noord zich zwaar teleurgesteld over zijn ‘weglopen’. Hij kan niet begrijpen dat het klimaat van ‘tolerantie’ voor dwaalleer in de synodale kerken niet zwaarder heeft gewogen.[35] In Opbouw uit ds. G. Visee ‘met oprechte gevoelens van vriendschap’ zijn verdriet over Van der Stoels vertrek: als het een zaak is van het klimaat in de kerken, ‘dan vergunne ds. van der Stoel mij een openhartig woord: voor dat ‘klimaat’ van de vrijgemaakte kerken zijn wij állemaal verantwoordelijk. Wij moeten soms de soep die we zelf op het vuur brachten, oplepelen.’[36] Medeondertekenaar van de Open Brief ds. H. Amelink vindt de Van der Stoels actie een verloochening van zijn handtekening onder die Open Brief. De ondertekenaars hadden daarin immers verklaard dat ze geen beëindiging van het eigen vrijgemaakte leven begeerden. Hij vindt de stap ook iets zeggen over hen ‘die vroeger tot de “felle broeders” behoorden, hoewel hij die ‘emotioneel verklaarbaar’ vindt, gezien de druk waaronder velen leven en geleefd hebben. ‘Ik snap dat mensen zo moe worden. De verleiding is groot de makkelijkste weg te kiezen. Als je niet meer nagezeten wordt, dat moet iets heerlijks zijn. En toch: Het schokt mij en verontrust me. Het geeft me ook een misselijk gevoel. […] Waar blijft de verantwoordelijkheid tegenover de schapen?’[37]
Doorleefd geloof
Jaap van der Stoel wordt na zijn overgang naar de synodale kerken predikant in Diemen-Bijlmer-Watergraafsmeer, waar hij rustig en met vreugde werkt, de strijd voorbij. Na twee hartinfarcten en een hartoperatie gaat hij in 1975 vervroegd met emeritaat. Hij verhuist naar Geldrop, waar hij en zijn vrouw meelevende leden worden van de Samen-op-Weg gemeente. Hij preekt er regelmatig. In zijn ‘synodale’ preken geeft hij indringend stem aan intellectuele én existentiële vragen, inclusief die van hemzelf. Maar steeds opnieuw zoekt hij de antwoorden in de Bijbel, voor hem het levende Woord van God. Van daaruit gaat hij ook in debat met moderne theologen, zoals met Dorothee Sölle in een preek[38] over Gods almacht en het lijden in de wereld: ‘Als God geen andere handen heeft dan de onze […] als God alleen maar meelijdt met de lijdenden en niet méér kan, kan ik het lied van Openb. 4 niet meezingen.’ Zijn beproefde en daardoor doorleefde geloof bewaart hem voor vrijzinnigheid. Jezus Christus en die gekruisigd blijft de hartenklop van zijn preken.
De laatste jaren van het leven van Jaap van der Stoel zijn moeilijk, ook doordat zijn dementie hem steeds moeilijker bereikbaar maakt. Hij overlijdt op 18 november 2006. De liturgie voor zijn begrafenisdienst, door hemzelf gemaakt, ligt dan al twintig jaar klaar. In de dienst klinken de woorden van Psalm 84 over het verlangen naar Gods huis en die van Gezang 305: ‘En waar de weg onvindbaar scheen, mochten wij door geloof alleen de tocht opnieuw beginnen’.[39]
Waarheid en verzoening
Jaap van der Stoel liep vast op ‘het klimaat van het absolute’[40] dat hij mee hielp creëren, maar waarvan hij geleidelijk afstand nam. Hij zag zijn kerken steeds meer vervallen in dezelfde fouten die reden waren voor de Vrijmaking en zag op een gegeven moment geen andere weg dan synodaal worden. Daar kun je wat van vinden – lang niet elke predikant die stukliep op de meerderheid, koos immers die weg -, maar begint het niet met luisteren?
Na de hereniging van 1 mei 2023 blijft dat luisteren nodig. Ik begrijp de tegenzin om weer in de oorzaken van de scheuring te duiken. Toch stem ik in met NGK-predikant Wieb Dijsterhuis: ‘Hoewel de fusie een feit is, is de weg naar vergeving, recht en waarheid nog niet voltooid. Er is een sterke motivatie nodig en ook een sterk gevoel van solidariteit om de tegenzin te overwinnen om zich weer te verdiepen in de oorzaken en gevolgen van de verwijdering destijds. Een risico is dan ook dat men het erbij laat zitten, waardoor gevoelens van pijn, onrecht, en een verlangen naar dieper gaande vergeving en verzoening in de gemeenschap aanwezig blijven en de hervonden eenheid blijven verstoren en zelfs kunnen gaan bedreigen’.[41] Die nog onvoltooide weg naar vergeving, recht en waarheid moeten we als herenigde kerken willen gaan. Onderzoek moet insteken bij de lange aanloop naar de breuk. Daartoe behoort een actieve zoektocht naar de verhalen van hen die teruggingen naar de synodale kerken. Naast de kennis-van-nu waarmee wij naar het verleden kijken, levert zo’n zoektocht ook kennis-van-toen op. Wat velen van ons nu met schaamte zien, zagen anderen toen al. Die zoektocht past goed in de opdracht van de Commissie Verzoening en Recht die in 2020 werd ingesteld.[42] En evenzeer bij de belijdenis van schuld voor ‘het klimaat van het absolute’ die de synode van de Nederlandse Gereformeerde Kerken op 9 maart 2024 op voorstel van deze commissie uitsprak.[43] Dat Erik de Boer een van de drijvende krachten is van die commissie, geeft alle vertrouwen.
De hele kudde naar buiten – ds. Jaap van der Stoel en zijn strijd voor een vrije kerk
Dit is de uitgebreide versie van mijn bijdrage in: Ad de Bruijne, Rob van Houwelingen & Jan Klok (red.), Gevarieerde oogst. Vriendenbundel voor Erik A. de Boer ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar aan de Theologische Universiteit Utrecht op 21 juni 2024.
Noten
[1] Ik spreek over synodale kerken conform het toenmalige spraakgebruik in de vrijgemaakte kerken en over vrijgemaakte kerken conform het toenmalige spraakgebruik buiten deze kerken.
[2] https://www.onderwegonline.nl/app/uploads/2016/10/Toespraak-Erik-de-Boer-Open-Brief-als-tijdsdocument-congres-28-oktober-2016.pdf.
[3] R.H. Bremmer & J.P. van der Stoel Jr., Overstemming of overeenstemming? Een bijdrage tot het verstaan van den kerkrechtelijken strijd om de Gereformeerde Kerken (1945).
[4] Rapporten aan de classis Groningen en brieven aan zijn vrouw (Archief J.P. van der Stoel, HDC Amsterdam).
[5] Toespraak ‘Schoolstrijd in heden en verleden’ (Archief Van der Stoel)
[6] Afscheidspreek Groningen, 14 juni 1948 (Archief Van der Stoel).
[8] De bindende factor. Herinneringen aan een gelukkige jeugd in Amsterdam-Centrum 1952-1967 (Amsterdam, z.n., 1999), 7.
[10] Preek in: De bindende factor, 75-87.
[11] Preek in: De bindende factor, 124-134.
[12] R.H. Bremmer & J.P. van der Stoel, Heroriëntering noodzakelijk. Een pleidooi voor gemeenschappelijk bouwen op het ene Fundament (Amsterdam: Buijten en Schipperheijn, 1959).
[13] Gereformeerd Gezinsblad, 18 en 19 maart 1959.
[14] Trouw, 30 mei 1959, Gereformeerd Gezinsblad, 3 juni 1959.
[15] Integrale tekst in Gereformeerd Gezinsblad, 25 september 1959.
[16] Berichten en verslagen in Gereformeerd Gezinsblad, 5, 12 en 16 december 1959; Trouw, 16 december 1959; Trouw, 14 en 15 maart 1960, Gereformeerd Gezinsblad, 16 maart 1960; Trouw, 20 juni 1960.
[17] Trouw, 12 januari 1961.
[18] Geciteerd in Trouw, 20 januari 1961.
[19] Leeuwarder Courant, 4 februari 1961.
[20] Archief Van der Stoel.
[21] Op basis van Acta GS Assen 1961, artikel 60-63, 67-74; Gereformeerd Gezinsblad 18, 19 en 20 mei 1969, bijdrage J.P. van der Stoel (familiearchief).
[22] Gesprek met dochter Anneke (1952) en zoon Jaap van der Stoel (1947) op 10 januari 2024.
[23] Trouw, 12 juni 1961,
[24] Trouw, 19 juni 1961; Opbouw, 2 juni 1961.
[25] J. Kamphuis, Rond Assen 1961 (Hansweert: Comité tot verspreiding van goedkope Geref. Lectuur, 1961)
[26] Trouw, 22 juni 1961.
[27] Acta GS Assen, Bijlage VI.
[28] Gereformeerd Gezinsblad 6, 7 en 8 september 1961.
[29] Archief Van der Stoel.
[30] Preek in: De bindende factor, 153-162.
[31] De Reformatie, geciteerd in de Nieuwe Leidsche Courant, 23 oktober 1962.
[32] In de brochure Om eerlijkheid en duidelijkheid (1968) heeft Van der Stoel zijn correspondentie met zijn kerkenraad gebundeld. De citaten in deze en beide volgende alinea’s zijn daaraan ontleend.
[33] Archief Van der Stoel.
[34] Om eerlijkheid en duidelijkheid, 40.
[35] Archief Van der Stoel.
[36] Opbouw, 12 april 1968.
[37] Opbouw, 12 april 1968.
[38] Archief Van der Stoel.
[39] https://www.vanderstoel.nl/papa/Liturgie.pdf.
[40] A. van Langevelde, In het klimaat van het absolute. C. Veenhof (1902-1983) Leven en werk (AdChartasreeks 27; Barneveld: De Vuurbaak, 2015).
[41] https://wiebdijksterhuis.com/2023/12/11/wegen-naar-het-nieuwe-jeruzalem/. Onderdeel van een serie blogs over vergeving, verzoening en herstel.
[42] https://ngk.nl/commissies/commissie-verzoening-en-recht/.
[43] https://ngk.nl/nieuws/uitspraak-over-het-klimaat-van-het-absolute/
