Op 14 september 2024 overleed ds. Arie van der Veer, man van Ees, vader van Peter, Tineke, Henk Jan en Ellen, predikant in Zwolle, voorzitter van de EO van 1990-2008, daarna nog heel lang televisiedominee en tot aan zijn dood Facebookdominee die een ongekend grote schare mensen wist te bereiken. Toen hij in 2006 veertig jaar predikant was, mocht ik hem en zijn vrouw Ees toespreken. Nu, na zijn overlijden, zou ik het niet anders zeggen dan toen. Met zijn gang van de kerk naar de omroep werd voor Arie van der Veer de wereld de akker waarop hij zaaide. Op die akker zaaide hij zichzelf. Hij brácht geen boodschap, maar hij wás de boodschap. Hij was geen postbode die mensen de brief van God kwam brengen, hij was een brief van Christus. Dat was de kern van mijn toespraak uit 2006. Hieronder volgt de volledige tekst.
Beste Arie en Ees, broeders en zusters.
Namens wie sta ik hier eigenlijk, dacht ik vanmorgen, toen ik hierheen reed. Sta ik hier als vriend? Ja, dat ben ik, maar Arie heeft veel meer vrienden. Sta ik hier namens de EO? Nou, nee. Want, hoeveel banden me ook nog aan de EO binden, daar werk ik niet meer. Voor de EO zou hier de huidige directeur of de vice-voorzitter moeten staan.
Je moet het maar zo zien: ik sta hier namens al die mensen in Nederland en daarbuiten voor wie Arie van der Veer heel veel heeft betekend. Arie was jarenlang de dominee van Zwolle. En hij werd ruim 15 jaar geleden de dominee van Nederland. Alles wat hij daarvoor hier in Zwolle heeft gedaan en geleerd, dat was allemaal voorbereiding op de taak waar hij in 1990 toe werd geroepen. In een van zijn interviews bij zijn aantreden zei hij het ook: mijn kansel wordt een stuk groter, nu ik voorzitter van de EO ben. Hoe groot, daar had hij toen nog geen idee van.
In een van de gelijkenissen van de Here Jezus gaat het over een akker waarin goed zaad en slecht zaad wordt gezaaid. En in de uitleg van die gelijkenis zegt Jezus: de akker is de wereld. Zo is het met jou gegaan, Arie: jouw akker werd de wereld. Niet langer de kerk, maar de wereld. De wereld van Hilversumse voorzitters en directeuren en programmamakers. En de wereld van die honderdduizenden mensen thuis voor de tv, voor wie jij hun dominee werd. Jouw akker werd de wereld. En in die akker heb je zaad gezaaid, al die jaren door, zondag na zondag. Hetzelfde zaad dat je in Zwolle zaaide: het Evangelie van Jezus Christus. Want ander zaad heb je niet. Het Evangelie van God die van mensen houdt. Het Evangelie van de Vader die Zijn Zoon gaf. Het Evangelie van de Vader die met wijd open armen staat te wachten. Nee, die niet maar op zijn verloren kinderen wacht, maar die als een herder op zoek gaat naar zijn verloren schapen. Die daarvoor de gebaande wegen verlaat, de andere schapen achterlaat en alles er voor over heeft om het verlorene te zoeken en te vinden.
Dat besef heb je de EO bijgebracht. En dat besef heb je de kerken en christenen in Nederland bijgebracht. Dat Jezus niet gekomen is om rechtvaardigen te redden, maar zondaren. En dat Jezus’ volgelingen diezelfde opdracht hebben: het verlorene zoeken. Dat heeft je in de kerk, onder medechristenen soms tegenstand opgeleverd. Bezwaren tegen de muziek die de EO gebruikte om jongeren met het Evangelie te bereiken. Bezwaren tegen programma’s waarin ongelovigen op zoek gingen naar God. Bezwaren tegen programma’s waarin mannen met haar tot op hun schouders of meiden met blote navels vertelden over wat God in hun leven had gedaan. We hebben het er vaak over gehad, over die bezwaren van de bezwaarden. Je verachtte ze niet en je werd niet moe te proberen hen te overtuigen. Vaak bleven de bezwaren. In boze brieven en mailtjes. Maar, Arie, honderdduizenden vaders en moeders zijn je diep dankbaar dat door die programma’s en evenementen hun kinderen niet van God los zijn geraakt, maar Jezus hebben leren kennen als hun Heer en Heiland. Namens al die vaders en moeders, opa’s en oma’s bedank ik je daarvoor. En dank ik God voor de manier waarop jij voorop bent gegaan in het gaan van nieuwe en ongebaande wegen om het verlorene te zoeken.
Jouw akker werd in 1990 de wereld. En die wereld viel je mee. Voor die tijd had die wereld vooral de kleur van de Godevijandige wereld, de wereld van mensen die aan God noch gebod doen. En in jouw en mijn achterland werden de mensen van de wereld toch vooral als vijanden gezien: vijanden van God, van het Evangelie en van de christenen. Jij hebt vanaf het moment dat je Hilversum binnenkam, ervaren dat er ook een andere kant is. Dat veel van die mensen anders zijn dan we dachten. Mannen en vrouwen met vaak dezelfde vragen als jij en ik, zoekend naar antwoorden op grote levensvragen, met een leven vol barsten en scheuren, hunkerend naar liefde en genade. Je hebt je tegenover hen het Evangelie van je Heer niet geschaamd. En desondanks of liever: juist daardoor heb je in de kringen van ongelovigen, ex-gelovigen of randgelovigen veel vrienden gemaakt. Geen vijanden, maar vrienden.
Jouw akker was en is de wereld. Ook de wereld van die honderdduizenden mensen in verpleeg- en verzorgingshuizen, in gevangenissen en inrichtingen. De wereld van al die mensen die op zondagmorgen geen kerk van binnen zien, maar die thuis voor de buis zitten, verlangend naar een woord of een lied van genade. Die soms nog van heel vroeger iets weten van God en van Jezus: een enkel lied , een enkel woord. Verloren zonen en dochters die nog een vage herinnering hebben aan het huis van de vader. Door de liederen van Nederland Zingt, door de woorden van God die je sprak, door de beelden die je gebruikte heb je velen van hen in het hart geraakt. Mensen gingen weer mee zingen, zochten hun oude bijbeltje weer op. Sommigen stierven met het bijbelwoord op de lippen dat jij in de laatste uitzending had gesproken. Duizenden brieven heb je van hen gekregen. En duizenden brieven heb je teruggeschreven. Geen brief bleef onbeantwoord. Geen schaap dat je kon bereiken, liet je in de steek. Naar het voorbeeld van de Goede Herder was en ben je voor hen de herder met het bewogen hart. En wat kon je boos worden, als dominees zeiden: Stop alsjeblieft met Nederland Zingt, want je houdt de mensen uit mijn kerk. Boos? Woedend werd je. Omdat je in die bezwaren zo pijnlijk de bewogenheid en de barmhartigheid miste.
Jouw akker is de wereld. En daarin heb je zaad gezaaid. Zaad: dat zijn geen woorden, folders, traktaten, boeken. Zelfs geen radio- of tv-programma’s. Het zaad, zegt Jezus in zijn uitleg van diezelfde gelijkenis, het zaad dat zijn de kinderen van het Koninkrijk. God zaait geen evangelisatiefolders, God zaait mensen. En zo, Arie, heeft God ook jou gezaaid. Je brácht geen boodschap, maar je wás de boodschap. Je was geen postbode die mensen de brief van God kwam brengen, je was en bent een brief van Christus.
Zo hebben ook velen in Hilversum je leren kennen. Veel voorzitters, directeuren en televisiemakers die in het licht van de schijnwerpers heel wat leken, bleken achter de schermen kwetsbare mensen met pijn en verdriet in hun leven. Vaak ook met een herinnering aan de zondagsschool van vroeger, aan het psalmversje dat ze moesten leren. Maar jij wás er voor hen, niet prekend en vermanend met je wijsvinger zwaaiend, maar luisterend en zoekend naar dat ene woord dat je namens je Heer zou kunnen spreken. Naar dat ene gebaar dat je namens je Heer zou kunnen maken. Alleen de eeuwigheid zal openbaren, hoe het zaad dat je zaaide, nee, hoe het zaad dat jij in al die contacten was, hoe dat is ontkiemd en vrucht is gaan dragen.
In de geschiedenis van de EO heeft al vroeg een woord uit het Evangelie van Mattheüs centraal gestaan. ‘Jezus, de scharen ziende, werd met ontferming over hen bewogen, omdat ze waren als schapen zonder herder’. Dat woord, Arie, is in jouw leven en werk als de dominee van Nederland waar geworden. Een herder met een bewogen hart. Door de stoere of gladde buitenkant van mensen keek je naar de binnenkant: naar hun hart. Omdat je wist en weet: Gods hart gaat naar hen uit. Voor dat herderschap dank ik je. Namens de bejaarden en de bedlegerigen van Nederland, de gevangenen en de verslaafden, de zieken en dementerenden, de hoeren en de tollenaars, de homo’s en de Hilversumse omroepbazen. Voor dat herderschap danken en prijzen we God die jou daarvoor uitkoos. Die je daarvoor bekwaam maakte. Die je nooit in de steek liet en die zijn schaap Arie van der Veer nooit los zal laten.
Ad de Boer – Toespraak ter gelegenheid van het 40-jarig predikantsjubileum van Arie van der Veer in 2006.
