Weinig onderwerpen roepen onder EO-leden zoveel emoties op als onze houding tegenover Israël. Voor de een zijn we te pro-Israël, voor de ander zijn we te kritisch. Waar staat de EO, als het om Israël gaat?
Ik heb altijd en sterke band met het Joodse volk gevoeld. Mijn overgrootvader was een Jood die Jezus leerde kennen als zijn Messias. Honderdvijftig achterneven en -nichten stierven in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor. Mijn band met het Joodse volk was van oudsher een familieband. Toen ik als tiener het boek Exodus las, over het ontstaan va de staat Israël in 1948, kwam daar een andere band bij. Ik kreeg sympathie voor de kleine David, die bijna was overweldigd door de brute Goliath, maar op wonderlijke wijze wist te overleven. Dat gevoel werd versterkt, toen de Joodse staat in 1967 en 1973 opnieuw een strijd op leven en dood moest voeren om niet onder te gaan. Met de meeste Nederlanders stond ik achter Israël: uit sympathie voor de underdog en omdat het Joodse volk recht heeft om binnen veilige grenzen te leven.
In mijn beginjaren bij de EO – 25, 30 jaar terug – leerde ik ook een geestelijke band met Israël kennen. In EO-programma’s werden vanuit de oudtestamentische profetieën directe lijnen getrokken naar de situatie in het Midden-Oosten. Ik herinner me levendig de kaartjes op het tv-scherm, waarop we vanuit Jesaja en Zacharia het scenario schetsten dat zich rond Israël zou voltrekken. We wisten precies te duiden, waar Gods hand zichtbaar werd en waar die van Satan.
Later werd duidelijk dat de realiteit complexer was en dat EO-christenen de vraag, of je zo de Bijbel naast de krant kon leggen, sterk verschillend beantwoordden. En er kwam meer oog voor die profetische woorden waarin Israël wordt opgeroepen om recht te doen. Anno 2004 wordt er in de kring van leden en medewerkers gevarieerd geoordeeld over de Israëlische regeringspolitiek. Dat merk je in artikelen en programma’s.
Maar wat ons bij alle verschil verenigt, zijn Paulus’ woorden uit Romeinen 11: ‘God heeft zijn volk niet verstoten. (….) Ze zijn geliefden om der vaderen wil. (….) De genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk’. Dat is de bril waardoor we naar Israël lijken, ook in 2004. Het Joodse volk is, anders dan andere volken, Gods volk, en daarom zijn ze voor christenen hun ‘oudste broer’. Daarmee heb je meer dan met je buurjongen, ook als die misschien aardiger is. Je verdedigt hem, als hij wordt aangevallen. Je zegt hem de waarheid, als hij zich misdraagt. Maar je laat hem niet vallen. Nooit.
Directiecolumn – Visie – Ad de Boer – 15 oktober 2004