Een tijdje geleden vond ik mijn oude catechisatieschrift terug. Groene kaft, naam en jaartal op het etiket: Ad de Boer, 1958. Dat jaar behandelde de dominee de sekten. Hij dicteerde, wij schreven. Over de Jehova’s getuigen, de Chiliasten, de Rozenkruisers en de Darbisten. Onze kerk was de ware, zei de dominee, andere kerken waren vals, maar sekten waren heel erg vals. Willem Ouweneel en Johan Frinsel in één adem met echte ketters. Christusbelijders op één hoop met Christusverwerpers. Ik wist niet beter als twaalfjarige. Ik kende immers geen Darbisten en Chiliasten.
Vijftien jaar later leerde ik ze bij de EO beter kennen. Niet uit een boekje of via de dominee, maar in levende lijve. Darbisten – ze zeiden liever dat ze ‘van de Vergadering’ waren – als Albert Ramaker en Wim Klein Haneveld. Chiliasten als broeder Jan Kits en broeder Johan van Oostveen. En ik wist het: dit zijn geen sektariërs, maar broeders in de Here. Ik deel dan wel niet al hun opvattingen, ik lees sommige Bijbelgedeelten anders, maar ketters? Kom nou! Maar om dat te beseffen moest ik wel van het catechisatieschrift naar de levende mensen toe: achter de theorie de werkelijkheid ervaren, hun getuigenis van de Here Jezus horen, hun liefde voor Gods Woord proeven.
Maar toch … Wie ooit in zijn leven in kerk of gemeente een breuk meemaakte, weet dat de ontmoeting tussen levende mensen geen garantie voor eenheid is. Dezer dagen las ik Het hondje van Sollie, de nieuwe roman van Hans Werkman over een kerkscheuring in 1967. Het lukte me niet om het met droge ogen uit te lezen. Omdat ik opnieuw verbijsterd raakte. Over hoe mensen die elkaar goed kenden, elkaar met Bijbelteksten om de oren sloegen. Over hoe zich in gezinnen die één huis, één tafel deelden een breuk voltrok. Over hoe gesprekken tussen broeders dialogen tussen doven werden. En dat terwijl ze elkaar zagen, spraken, kenden. Jarenlang naast elkaar in dezelfde kerk zaten, dezelfde liederen zongen, dezelfde preken hoorden.
Als principes worden uitvergroot tot een geloof, als theologische bouwwerken de plaats van het fundament gaan innemen, dan sneuvelt de eenheid. Paulus schreef het al aan de gemeente van Korinthe: Ik heb besloten niets te weten onder u dan Jezus Christus en dien gekruisigd. En een ander fundament dan er ligt, Jezus Christus, kan niemand leggen. Of, om het met hoofdonderwijzer Korporaal uit Het hondje van Sollie te zeggen: Gereformeerd betekent niet: nog verder gespecialiseerd, maar terug naar de eenvoud van Jezus Christus. En voor ‘gereformeerd’ mag u ook lezen: hervormd, evangelisch enzovoorts.
Ook vandaag zijn er verschillen in kerken en gemeenten; diepgaande verschillen soms. Over liederen en kleding, over kerkfusie en -organisatie. Verschillen die de eenheid kunnen bedreigen. Zullen we elkaar dan maar die hartsvraag stellen: Wat dunkt u van de Christus? Wie is Jezus Christus voor je? Het antwoord op die vraag kan scheiding maken. Dat zien we in onze tijd helaas ook. Maar het antwoord op die vraag kan ook een diepe eenheid geven. Boven alle verschillen uit. Als we samen zeggen: Hij is de Zoon van de levende God, gestorven voor onze zonden.
Directiecolumn – Visie – Ad de Boer – 6 juni 2000