Ineke en ik zijn allebei nogal bewaarderige types. We gooien niet gauw iets weg, ‘want je weet maar nooit, wie er nog eens iets aan heeft.’ Zo hebben we op zolder dozen vol spullen van vroeger staan: kaarten van het consultatiebureau, knip- en plakwerkjes, schoolschriften, vader- en moederdagwerkjes, sinterklaasgedichten en –surprises, medailles van wandelmarsen, vaantjes van voetbaltoernooien, briefjes met ‘mamma, het spijt me zo’ en ‘ik hou toch van jullie’, agenda’s, voetbalplaatjes, uitnodigingen met kom-je-ook-op-mijn-verjaardag-je-wordt-thuisgebracht, knuffels, gips van een gebroken pols etc. Het neemt veel ruimte in beslag, maar het is ideaal voor trouwerijen om aan de hand van al die dingen het levensverhaal van zoon- of dochterlief te vertellen.
Dat hebben we kortgeleden ook gedaan, toen onze zoon trouwde. Anders dan op de bruiloften van de andere kinderen was er dit keer – in het verlengde van andere keuzes die onze zoon de afgelopen jaren heeft gemaakt – geen kerkelijke huwelijksbevestiging. Dat doet best wel pijn. Maar al snuffelend in de dozen met zijn spullen van vroeger om daarmee zijn levensverhaal-voor-de-bruiloft te componeren, vonden we een schrift met de psalmversjes en gezangen die hij op de basisschool moest leren.
Daar stond ook in, door hemzelf in keurig schoolschrift neergeschreven: ‘God zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig zijn verbond gedenken. ’t Verbond met Abraham zijn vrind bevestigt hij van kind tot kind.’ Psalm 105:5 in de Oude Berijming. Dat hebben we tijdens het bruiloftsdiner voorgelezen. En in de auto terug naar huis na de bruiloft hebben we dat samen zachtjes gezongen.
Directiecolumn – Visie – Ad de Boer – 15 augustus 2001