Een paar Visies geleden. Op de een-na-achterste pagina. Een kleine foto van een jongetje en een meisje, praktisch even oud, elk met een eigen rietje drinkend uit hetzelfde glas. Hij bruin met een donkere krllenbol, zij blank met een brilletje. Een plaatje. Misschien hebt u hem gezien, die foto. Zo’n twaalf jaar geleden gemaakt voor een tv-programma over adoptie.
Dar kleine jongetje van toen is nu – vijftien jaar oud – even lang als zijn vader. Het meisje trouwens ook. Hij woont al sinds zijn tiende niet meer thuis. Dat kon niet langer, vonden de hulpverleners. Het is beter, zeiden ze, voor hem en voor jullie. En zijn vader en moeder wisten dat het waar was. Alleen deed het wel pijn. Bij hem. Bij hen.
Maar in de jaren dat hij ergens anders woonde, ging het niet beter. Soms kregen zijn vader en moeder weer een beetje hoop. Maar niet teveel, want dan deed het daarna weer extra zeer.
Die avond kwam de vader terug van een conferentie. Daar ging het over de boodschap en de kloof. Over de boodschap van God en de kloof met de mensen. Over het ene antwoord en de vele vragen. Over granieten zekerheden en ijs dat niet houdt. Over waarheid en echtheid. Over de blije buitenkant en de pijn van binnen. Over door de crisis heen moeten en wachten op God. Over leersystemen die instorten en dat ene lied, dat ene Woord van God waar een mens verder mee moet. Over ten dele kennen en gekend zijn. Over momenten van twijfel en Gods aanwezigheid. Hij was er vol van.
Toen kwam dat telefoontje: Uw zoon zit vast. Hij is opgepakt door de politie en moet een aantal dagen in de cel blijven.
Die zondag zaten vader en zoon in de bezoekkamer van de arrestantenvleugel. Zestig centimeter tafelblad tussen hen in. En toch zo ver van elkaar. De zoon praatte over wat-ie had gedaan. En over wat-ie niet had gedaan. En over wat-ie zou doen als-ie vrij kwam. Luisteren viel hem moeilijk. Net zo moeilijk als de vader woorden kon vinden om te zeggen wat er in zijn hart leefde. Hij dacht aan de psalm die ze zongen, toen jij gedoopt werd. ‘De mus, de zwaluw vindt een woning. Haar jongen zijn in veiligheid. Mij is een schuilplaats toebereid’. Veiligheid? Schuilplaats? Waar dan? Hier?
En ze baden ’s avonds, die vader en moeder. Heer, we snappen er niets van, waarom het zo gaat. Op het kaartje waarom we zijn komst in ons gezin aankondigden, stond toch dat we hem uit Uw hand hebben gekregen? Dat geloven we nog steeds. Maar we begrijpen er niets van. En we voelen ons machteloos. Onze armen zijn te kort om hem vast te houden. En zijn hart kunnen we al helemaal niet bereiken. Het enige wat we kunnen doen, is hem in Uw hand te leggen. En wachten op wat U doet. Uw armen zijn toch niet te kort? We houden van hem. En we geloven dat U ook van hem houdt.
Directiecolumn – Visie – Ad de Boer – 8 december 1997