Sinds ons gezin in 1973 in Nijkerk kwam wonen, hebben we vele malen per auto (een hoogst enkele maal in de zomer met de fiets) de tien kilometer naar Voorthuizen afgelegd. Daar, in Voorthuizen kerken we namelijk iedere zondag en onze kinderen gaan er doordeweeks naar catechisatie en club. In mijn leven spelen Nijkerk en Voorthuizen dus een grote rol: de ene als woonplaats, de andere als kerkplaats. Maar ook in de kerkgeschiedenis hebben beide plaatsen een grote rol gespeeld. Nijkerk als de stad waar in 1749 onder ds. Gerard Kuipers de opwekking begon die bekend staat als de Nijkerkse beroeringen, Voorthuizen als ‘de moederkerk van de Doleantie’ waar in 1886 mr. dr. Willem van den Bergh de gemeente van Christus vrijmaakte van de binding aan synodale regels.
Wat die twee – Nijkerk en Voorthuizen, ofwel opwekking in en reformatie van de kerk – verbindt, is de overtuiging van persoonlijke zonde en schuld en de verwondering over Gos genade voor zondaren, die door ds. Kuipers en ds. Van den Bergh werden gepredikt. Jac. Overeem schrijft in zijn boek Opdat Zijn huis vol worde over de uitwerking van de preken van ds. Kuipers in Nijkerk: ‘In honderden harten werd voor het eerst of bij vernieuwing een hartgrondig roepen geboren. De Geest van Pinsteren werkte ontdekkend in duistere gewetens’’. Ds. Van den Bergh deed intrede in Voorthuizen met Psalm 51:19b en 20: ‘Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten’. Nog steeds staan deze woorden gebeiteld boven de ingang van het (nu) Nederlands Gereformeerde kerkje in Voorthuizen dat ds. Van den Bergh liet bouwen.
We praten vandaag veel over vernieuwing van de kerk. De een noemt het een opwekking, de ander een reformatie. Wat maakt het uit? We verlangen er naar en we bidden er om. Maar één ding leren Nijkerk en Voorthuizen mij: met een opwekking is een diep besef van zonde en schuld onlosmakelijk verbonden. Zonde: niet allereerst in Bosnië, maar in mijn hart en leven. Zondaar: niet allereerst Paul de Leeuw, maar Ad de boer. Het evangelie van Gods genade in de Here Jezus is niet bereikbaar voor de zelfgenoegzamen en de fatsoenlijken, maar voor de goddelozen en de zondaars. De dichter H.M. van Randwijk vertelde over een zwerver die zeven keer in de gevangenis zat voor hij tussen de buffers van een trein om het leven kwam. Als een van zijn kameraden op zijn begrafenis vertelt dat hij Jezus beminde, zegt Van Randwijk:
‘En niemand kan zeggen: dat is een leugen,
want niemand van ons heeft naast hem gestaan,
want de hemel is voor wie niet deugen,
en voor zondaars is Christus dood gegaan.
En zo gij die man hebt verwacht in uw leven,
vrees niet, als ge hem hierboven ontmoet,
de dief en de burger zijn er om ’t even,
twee zwarten, gereinigd door hetzelfde bloed’.
Directiecolumn – Visie – Ad de Boer – 14 januari 1996