Ga naar de inhoud

Het bureau van opa

Een week of wat terug hebben we het ouderlijk huis leeggehaald. Vader en moeder hadden lang niet alles kunnen meenemen naar het verpleeghuis en naar de aanleunflat daar in de buurt. De nieuwe bewoners wilden er in en dus togen broers en zussen die zaterdag naar Rotterdam om het huis leeg te maken.

Het werd een dag vol verhalen en herinneringen, verbonden aan vrijwel ieder voorwerp dat boven water kwam. Het doosje vol kaartjes met Griekse woorden en hun betekenis, die ik in de weken voor het eindexmen in mijn hoofd moest stampen. De boeken van Penning over de Boerenoorlogen in Zuid-Afrika, ’s avonds in bed zo vaak gelezen en herlezen dat Piet Retief en Blikoortje mij vertrouwder werden dan Calvijn en Schilder. Het houten ledikantje dat nooit kon bevroeden dat de babies die er in lagen, nog eens zouden uitgroeien tot dominees en directeuren.

Geleidelijk aan vulden zich die dag de auto’s, aanhangwagens en boedelbakken met groot en klein huisraad. Het bureau waaraan opa de Franse proefwerken van generaties leerlingen corrigeerde, voor een studerende kleindochter. Het boekenrek uit de huiskamer, waar de Bijbel voor jonge mensen van Wolf Meesters jaar en dag zij aan zij had gestaan met De kleine dokter van Alfred Vogel, voor een studerende kleinzoon. Tuingereedschap en tuinstoelen voor een kleizoon die zich sinds kort de bewoner van een heuse eengezinswoning met achtertuin weet. Een stel Franse romans en de Heidelbergse catechismus voor een Zaïrese asielzoeker. En het ijzeren naambordje dat meer dan dertig jaar op de voordeur prijkte, voor de enige zoon die dat gegeven zijn voorletters ook echt kan gebruiken.

En zo werden de dingen die al die tijd het ouderlijk huis hadden gevuld, doorgegeven aan kinderen en kleinkinderen. En je denkt: Ging dat met het geloof ook maar zo. Was het maar zo dat je dat net zo makkelijk kon doorgeven. Dat het geloof van opa en oma net zo makkelijk het geloof van hun kinderen en kleinkinderen werd als met het bureau, de matrassen, de schoffel, de salontafel en het wijnrek gebeurde. Wat zouden veel gesprekken, veel zorgen en veel verdriet van vaders en moeders overbodig zijn geweest, als ook genade erfgoed was. En wat zouden de ontkerkelijkingscijfers in Nederland er dan anders hebben uitgezien.

En toch, van een schilderij, een wandelstok, een fietspomp, een reisgids en zelfs een Bijbel kun je zeggen: dat is of dat was het schilderij, de wandelstok, de fietspomp, de reisgids, de Bijbel van vader of van opa. Maar bij het geloof in Jezus Christus is dat niet genoeg. Met het geloof van vader of van opa kun je niet leven en kun je niet sterven. Dat vader en moeder, opa en oma God lief hadden en vertrouwden, is iets om diep dankbaar voor te zijn. Maar wat zij mij voorzeiden en voorleefden, moet mijn persoonlijk eigendom worden. Meubels en boeken, zefs christelijke regels en tradities zijn overdraagbaar; liefde tot God, vertrouwen op Hem niet. De Heidelberger vraagt niet: wat is of was hún enige troost, hún enige houvast? Maar wat is úw enige troost, uw enige houvast in leven en sterven? Om op die vraag het antwoord van je hart te geven, heb je aan ouders en groot ouders niet genoeg. Met minder dan Gods Geest kun je daarvoor niet toe.

Directiecolumn – Visie – Ad de Boer – 18 december 1996

Het bureau van opa -Visie – 18 december 1996