Vanmorgen hebben we haar begraven: een jonge vrouw, 44 jaar oud, lid van onze gemeente.
Zeventien jaar getrouwd waren ze, toen het wonder gebeurde dat de dokters voor onmogelijk hadden gehouden: zij en haar man werden vader en moeder van een prachtige dochter. Maar vrijwel op hetzelfde moment kreeg ze borstkanker. Flessen vol tranen heeft ze gehuild. En tot haar God heeft ze geroepen. Waarom, Heer?
Er volgden een paar jaar van hoop en vrees, van kuren en bidden, van pijn en van toch nog samen genieten. We hebben als gemeente de Here gebeden om haar te genezen: in de kerkdiensten en bij hen thuis, op de manier waar de apostel Jacobus van spreekt.
Maar dít wonder bleef uit. Ze stierf en laat haar man en een dochtertje van drie jaar achter.
Waarom deed God geen wonder? Vroeger wist ik dat precies: omdat genezingswonderen alleen voor tóen waren, voor de tijd van de Here Jezus, de apostelen en de eerste christengemeente. Maar ik heb leren zien dat de Bijbel dat niet leert. In onze tijd lijkt dat ‘alleen voor tóen’ vervangen door ‘alleen voor dáár’. God geneest wel, maar alleen ‘daar’: ver weg, in Nigeria, of ‘daar’ bij Jan Zijlstra. Maar bij ons? In een gewone gereformeerde kerk?
Ik weet niet, waarom dit wonder niet gebeurde. Was één wonder genoeg om Gods almacht te tonen? Zij wist het ook niet. Maar ze loofde haar Heer en schreef Hem niets ongerijmds toe. Ze nam het goede uit Zijn hand aan en verweet Hem niet het kwade dat haar overkwam. En tot op het laatst wist ze zich verzekerd dat niets haar kon scheiden van Gods liefde in Jezus Christus.
Zo hebben we haar begraven. Zonder antwoord op onze waaroms. Maar toen de kist naar buiten werd gedragen, speelde het orgel: ‘Veilig in Jezus’ armen’.
Directiecolumn – Visie – Ad de Boer – 4 mei 2002