Ga naar de inhoud

Voor de zevende keer moet ik loslaten

 

 

Nog twee maanden, dan gaat onze jongste dochter het huis uit. Negentien jaar oud. Klaar om op eigen benen te staan. Los van pa en ma.

Opnieuw laten we een kind los. Voor de zevende keer. En opnieuw kijk ik terug. Naar het moment dat ze werd geboren. Haar eerste stapjes. Haar eerste woordjes. Haar oogoperatie. De bijbelverhalen die we voorlazen. Schatgraven ’s avonds voor het slapen gaan. Maar je denkt ook na over je eigen rol in haar leven. Waarin ben ik te kort geschoten? Wanneer zweeg ik, toen ik moest spreken? En wanneer heb ik teveel gezegd, toen ik beter mijn mond had kunnen houden? Wanneer heb ik mijn kind met vragen in de kou laten staan? En wanneer heb ik antwoord gegeven op vragen die nooit waren gesteld? Hoe vaak was ik een argumentenmitrailleur? En hoe weinig was ik een leesbare brief van de Here Jezus?

En toch moet ik loslaten. Voor de zevende keer loslaten. Uit mijn handen, uit onze handen. In Gods handen. Haar eigen keuzes laten maken, niet onze keuzes. Tegen mezelf zeggen: Jij bent niet meer verantwoordelijk, ze is zélf verantwoordelijk. Eigenlijk kan ik dat niet. Want ik wil graag regelen, controleren, grip houden op de dingen. Mijn karakter is niet loslaten, maar vasthouden.

Loslaten. Dat gaat gemakkelijk, als het goed gaat. Als je kind stevig in de schoenen staat, voor je besef goede keuzes maakt, als kind van God wil leven. Maar soms moet je je kind loslaten, terwijl het eigenlijk nog niet kan. Omdat het nog zo klein is en het huis uit móet. Of omdat het weliswaar ouder, maar nog bepaald niet wijzer is. Loslaten is makkelijker, als je kind naar een Wervelweekend gaat dan als het op een houseparty zit.

Loslaten. Het gaat bij mij niet vanzelf. Bij wie wel? Is het een kwestie van karakter, waardoor de een het gemakkelijker kan dan de ander? Of is het toch altijd en voor iedereen allereerst een kwestie van kiezen? Een beslissing, die je steeds weer opnieuw moet nemen? Ik laat haar los. Niet: ik laat haar aan haar lot over, maar ik laat haar aan God over. Vanaf nu moet ík niet meer kiezen, maar moet ze zelf kiezen.

Loslaten. Dat vind ik makkelijker gezegd dan gedaan. Want je kunt wel ophouden met je kind te zeggen wat het wel en niet moet doen, hem of haar allerlei goede dingen voor te houden.Maar je gedachten kun je niet stopzetten. Je blijft toch piekeren: zou ze niet dit en zou ze niet dat? Je kind loslaten is een ding, maar je hart blijf je toch vasthouden, nietwaar? Of kan dat ook: ze echt bij God neerleggen en ze daar dan laten liggen? Zo God vertrouwen dat Hij ook je zorgen over je kind wegneemt? Of is dat ook een kwestie van steeds weer opnieuw doen: steeds weer je kinderen bij God brengen, hem steeds weer aanspreken op Zijn beloften, op Zijn trouw?

Loslaten. Dat begint niet pas als je kind het huis uitgaat. Het begint op het moment dat het wordt geboren. Opvoeden tot zelfstandigheid. De weg wijzen, ja zeker, maar van je zelf afwijzen. Geen kopie van ons worden, maar een uniek kind van God. Daar werden we deze zomer weer aan herinnerd, toen onze (andere) dochter bij de doop van haar jongste kind, onze jongste kleinzoon (inderdaad, die van de vorige column) het prachtige ‘Gedicht voor ons kind’ van Geert Bogaard voorlas met daarin deze regels: ‘Je bent gedragen om verlost te worden, gekomen om te gaan. De streng die je bond aan het lichaam van je moeder, moest verbroken worden. Dit mogen wij nooit vergeten, je bent geen bezit. Wij hebben jóu niet, jij hebt óns, om je te leiden, te beschermen, te bewaren voor je angst.’

Loslaten. Denk na deze column niet dat ik het kan. Het lukt me nog steeds niet goed. Het is een leven lang leren.

Visie – 23 oktober 2002

Voor de zevende keer moet ik loslaten – Visie – 23 oktober 2002